Ziekenverzorging

Ziekenverzorging in het Geelse Gasthuis anno 1639

Tot het patrimonium van de Gasthuiszusters Augustinessen van Geel behoort een doek uit 1639 waarop een ons onbekende schilder het dagelijkse leven in het gasthuis afbeeldt. Het doek toont de ziekenzaal die achterin de kapel was gelegen. Ziekte werd immers gezien als een gevolg van de zondigheid van de mens. Daarom bracht men de zieken ook steeds onder in een gewijde ruimte, een bedehuis. In Geel kende men deze gewoonte tot in 1905.

De ziekenzaal was gescheiden door een eiken wand van het bidgedeelte van de kapel. Tijdens de mis- vieringen werden de luiken en de deuren van die scheidingswand geopend, zodat de zieken die achter in de kapel lagen de mis konden volgen.

In de linkerbovenhoek van het schilderij zien we door de openstaande deuren het altaar met daarop een drieluik. De zieken liggen in zes alkoven en rechts is er een bedstee. De capaciteit van zeven bedden bleef tot in 1840 behouden. Opvallend op het schilderij is de afwezigheid van een dokter of een chirurgijn. Hun bezoek aan het gasthuis was eerder uitzonderlijk. De ziekenzorg was in de handen van de Gasthuiszusters Augustinessen. Pas vanaf het einde van de achttiende eeuw werd er meer en meer een beroep gedaan op dokters en chirurgijns.

Het schilderij is een mooie weergave van de zieken- verpleging, zoals die in de statuten voorgeschreven is. Alle arme zieken, mannen en vrouwen van Geel, moesten worden opgenomen. Bij opname spoorde men hen aan te biechten. Daarna werden ze gewassen, kregen ze proper linnen en een ‘vers bed’, dat de zusters in de winter met een vuurpan verwarmden. Tweemaal daags werden de bedden opgemaakt en de kussens opgeschud. Er moest steeds een zuster bij de zieken zijn. Vóór de maaltijd werden de handen van de patiënten gewassen, waarna ze een Onzevader en een Wees-gegroet moesten bidden. We hebben het raden naar de maaltijden die ze kregen. Gezien de gasthuiszusters steeds met geldgebrek te kampen hadden, zullen het eenvoudige maaltijden geweest zijn. Na de maaltijd werden de zieken aangemaand om voor de weldoeners te bidden. De arme zieken werden gratis verzorgd.
Over hun aantal ontbreekt elk cijfermateriaal. Van bij de aanvang werden er ook betalende patiënten in het gasthuis opgenomen, maar ook over hun aantal hebben we geen duidelijkheid. Waarschijnlijk lag dat, afgezien van de perioden van pestepidemieën, niet heel hoog. De gemeentelijke overheid plaatste soms vreemde zieken en soldaten in het gasthuis. Voor deze patiënten werd tevens een vergoeding gegeven. Zieken met een slepende kwaal of besmet-telijke zieken, werden meestal niet aanvaard.

Over de aard van de ziekten die moesten behandeld
worden, spreken de archieven niet. Uit enkele schaarse vermeldingen valt af te leiden dat het vaak ging om de verzorging van letsels aan de armen, de benen, het hoofd, de handen, de borst, enz.

Dankzij de lijst van de overleden zusters die in het
gasthuisarchief wordt bewaard, kennen we de namen van de zusters die in 1639 in het gasthuis verbleven en op het schilderij staan afgebeeld. De centrale figuur, de zuster bij de papketel, is de overste Joanna Donckaerts. Zij is niet in werkkledij afgebeeld zoals de andere zusters, maar draagt een zwart koorkleed met witte kap. Ze verdeelt het eten. Om alle betwisting hierover te vermijden nam de overste deze taak op zich. Joanna Donckaerts was de oudste van de zusters. Ze was in 1639 ongeveer 70 jaar oud en is op het schilderij ietwat voorover-gebogen afgebeeld. Naast Joanna Donckaerts tellen we nog zeven zusters.

Postulanten en novices droegen geen witte kap maar een nauwsluitende hoofddoek. Zo de zuster met de bedwarmer en de zuster die de voeten van een zieke wast. Deze laatste is waarschijnlijk Dimpna Everaerts, geboren rond 1620, geprofest in 1639 en overleden in 1677, ongeveer 56 jaar oud. Anno 1639 was ze ongeveer 19 jaar. De zuster met de bedwarmer, Dimpna Raeymaekers, was wellicht de jongste van allemaal. In 1639 was zij postulante of novice en belast met gewone taken, zoals bedden verwarmen. Over haar is alleen bekend dat zij in 1687 nog in het gasthuis was.

De vier andere zusters helpen bij de verpleging van de zieken. Twee ervan assisteren moeder Joanna Donckaerts met de bedeling van voedsel; de twee anderen behandelen het hoofd van een zieke.
In de zusterslijsten van die tijd treffen we verder Maria Vander Veken aan, in 1632 met dispensatie boven het getal van zeven zusters door de bisschop toegelaten. Hetzelfde geldt voor Barbara Verlinden, die een jaar eerder de kloosterrangen aanvulde. Het door de statuten vastgestelde aantal van zeven zusters kon echter niet behouden blijven omwille van het steeds groeiend aantal patiënten. Mayken Bocmans, ingetreden 1609 en overleden op 20 juni 1665; Joanna Dauwen, van wie alleen bekend is dat ze in 1639 gasthuiszuster was; Anna Janssens, ingetreden op 10 januari 1608 en overleden op 26 mei 1653 en Lysken Peskens, geboren te Geel, geprofest op 10 februari 1609 en overleden op 10 februari 1657 vervolledigen de toenmalige kloosterbevolking.

De ziekenverpleging was eeuwenlang op de eerste plaats gericht op het verschaffen van onderdak en voedsel. Daarna kwam de aandacht voor het zielenheil van de patiënten. Wanneer we spreken van ziekenverpleging, denken we spontaan aan dokters en chirurgijns. De dokter had de universitaire opleiding genoten. Zijn werk beperkte zich tot het theoretische: het stellen van een diagnose door het bekijken van het gezicht en de tong, het voelen van de pols, het aftasten van de buik en het bestuderen van urinestalen.
Na de diagnose schreef de dokter een behandeling of medicijnen voor. Voor het eerste werd de patiënt doorverwezen naar een chirurgijn of heelmeester. Hij was de ambachtsman die zijn vak leerde bij een erkend meester. Als leerjongen bekwaamde hij zich in het tanden trekken, het verbinden en verzorgen van wonden, het zetten van breuken en het aderlaten. In de praktijk bepaalde in feite de heelmeester het wel en wee van de patiënt. Pas vanaf de zeventiende en vooral vanaf de achttiende eeuw wordt hier en daar een naam van een Geelse arts of heelmeester opgetekend, maar dan alleen voor de verzorging van zieke zusters.
Of ze ook kwamen voor de zieken in het gasthuis, is niet uitgesloten, omdat het gemeentebestuur één of meerdere meesters aanduidde om de zieken te onderzoeken. Ze werden dan ook betaald door de gemeente en niet door het gasthuis.

 

 

 

 

 

fotohomehistoriekmuseumziekenverzorgingeducatiefnuttige infovriendendeelcollectiesmuseumboekennieuwsbriefmuseum-zuiderkempenrondleidingen

 

logologologologo

moeder1moeder2moeder1