Museum
Het Ambachtsgebouw
In het ‘Ambachtsgebouw’ van 1728 zijn alle ruimten ondergebracht die te maken hebben met de materiële voorzieningen voor de kloostergemeenschap en het gasthuis. Vermoedelijk werd het ‘Ambachtsgebouw’ opgetrokken over een reeks kleinere gebouwtjes of dienstruimten. Sporen daarvan werden tijdens de restauratie teruggevonden.
Door het gebruik van witte steen als omlijsting van vensters en deuren en van de zware daklijst kreeg het ‘Ambachtsgebouw’ een rijkelijker uitzicht dan de andere gebouwen.
Op het gelijkvloers bevinden zich de ruime keuken met kelder en kelderkamer, de moos of waskeuken, de dienstbodekeuken, het washuis/slachterij, de bakkerij en de brouwerij. De grote slaapkamers op de bovenverdieping waren aanvankelijk bestemd voor gasten en bezoekers, later werden het cellen voor de zusters. De planken zolder diende als stapelplaats voor het graan dat in de brouwerij werd verwerkt.
De verschillende museumruimten - met uitzondering van de brouwerij, die nu het museumonthaal is - zijn in hun oorspronkelijke functie hersteld en vormen nu het museum. De bovenverdieping en zolder werden omgebouwd tot vier duplex woongelegenheden.
Bakkerij
Tot kort na 1950 werd hier driemaal per week brood gebakken. In de oven werden er mutsaards geschoven. Er werd gestookt tot de oven wit gloeiend was. Nadat het verkoolde hout en de as uit de oven in doofpot was geschraapt, werden de met deeg gevulde broodvormen erin geschoten.
Een bakbeurt was goed voor zowat 32 broden. Het deeg werd in de baktrog bereid. De zuster die met dit werk werd belast, moest eerst goed haar voeten wassen. Daarna werd ze door twee andere zusters onder de armen genomen en in de trog gezet om het brooddeeg met de voeten te treden.
Washuis/Slachterij
Tot 1918 werd in deze ruimte de was gedaan. Om de zes weken was er een grote wasbeurt. Vuile kleding en lakens werden hier in de winter te weken gezet. In de zomer gebeurde dat buiten. Daarna werd er gewassen en gespoeld in houten tobben. Nadat in 1918 het nieuwe ziekenhuis in de de Billemontstraat (huidige SAIO) in gebruik was genomen, brachten de zusters in kruiwagens de was naar de wasserij in het nieuwe ziekenhuis.
De ruimte deed ook dienst als slachterij. Het gekeelde varken werd aan twee ringen aan de zoldering opgetakeld en uitgebeend. Het bloed werd opgevangen om er pensen van te maken. Op het kapblok werd het vlees uitgebeend en versneden. Het vlees dat niet onmiddellijk werd gegeten, werd ingemaakt, in vet gezet of in pekel gelegd. Het ingemaakte vlees werd in de kelder bewaard.
Dienstbodekeuken
In de dienstbodekeuken verbleef het lekenpersoneel van de zusters. Ze aten er en knapten er kleine karweitjes op. Brood, vet, confituur en peperkoek waren steeds voorradig in de schapraai.
Er waren meestal acht permanente knechten in dienst en tijdens het oogstseizoen werden extra krachten aangetrokken. Ook vaklui, ingehuurd voor bepaalde karweien, kregen er de kost bij. Op vaste tijden werd er eten uit de kloosterkeuken geserveerd. Tijdens de oogstperiode werd het eten naar het veld gebracht.
In de grote open haard werden hespen gerookt. Niet alleen hespen uit de eigen slacht kwamen in de schouw terecht, maar ook Gelenaars brachten er naar het gasthuis. Voor het roken werd houtschaafsel gebruikt, soms vermengd met wat zagemeel. Na twee tot drie weken waren de hespen klaar en werd een nieuwe lading in de schouw gehangen.
Meiden en knechten hebben tot circa 1960 op de gasthuishoeve gewerkt. De landbouwmethoden veranderden intussen drastisch. De uitbating van een eigen boerderij werd onrendabel en werd afgestoten. De periode van eigen gewin was voorbij.
Moos
De moos was de spoel- en karnplaats. Op de gemetselde moosbank die in 1757 met een arduinen steen werd afgedekt, werd afgewassen, werden groenten, fruit en andere levensmiddelen gespoeld en de melkbereidingen klaargemaakt.
De moos wordt afgesloten door een houten wand,
waarin onder andere een droogkast werd verwerkt. In deze kast, die voorzien is van een hor, hingen de zusters de gerookte vleeswaren te drogen, alvorens ze verder in de kelder te bewaren.Kloosterkeuken
In deze grote keuken werden de maaltijden voor de kloostergemeenschap en de zieken bereid. In de
gasthuisrekeningen worden tal van aankopen van vlees, groenten, kruiden en specerijen vermeld. Maar niet alle voedsel werd aangekocht. De zusters hadden immers tot circa 1960 een eigen boerderij met melkkoeien, varkens en kippen. Groenten werden op eigen landerijen gewonnen en kruiden werden in de tuin geplukt.Het Kloostergebouw
Het ‘Kloostergebouw’, opgetrokken in baksteen, dateert uit 1663. Hier waren de woon-, werk- en slaapvertrekken van de zusters ondergebracht.
Op het gelijkvloers bevinden zich de refter, de gastenkamer, de apotheek en de moederskamer of de kamer van de overste. Een gesloten pandgang verbindt deze kamers met de kapel, de sacristie en het Ambachtsgebouw. Door het glas-in-lood van de spitsboogramen die de pandgang langs een kant afsluiten, valt getemperd licht naar binnen. Het stucwerk in de pandgang werd in 1777 aangebracht door de Geelse Tiroler Antoni Sangerli.
Op de eerste verdieping van het ‘Kloostergebouw’ bevond zich eertijds de slaapzaal van de zusters. Later werd deze opgedeeld in individuele cellen. Deze ruimten werden bij de restauratie omgebouwd tot gezellige appartementjes.
Op de indrukwekkende zolder die een gaaf eikenhouten gebinte heeft, werd het graan bewaard. Hij herbergt nu de museumreserve.
Refter
Deze kloosterrefter werd alleen gebruikt bij officiële gelegenheden of wanneer er meerdere bezoekers te gast waren in het klooster. De ruimte deed tevens dienst als kapittelzaal: de zusters kwamen hier bijeen om belangrijke beslissingen te nemen of om een schuldkapittel te houden. Het schuldkapittel was een bijeenkomst van de leden van de kloostergemeenschap waar overtredingen van de kloosterregel werden bestraft.
In de refter gaat alle aandacht naar het prachtige plafond in stucwerk (1740) met het wapen van de schenker, de Brusselse advocaat J.B. Stevens-Verdonck. In de twee andere medaillons staan een Mariamonogram met kroon en doorboord hart en een Christusmonogram met kruis en hart, waarin drie paasnagels zijn verwerkt.
Belangwekkend is ook de staande klok, afkomstig van de voormalige priorij van Korsendonk. De kast is 1687 gedateerd, maar het uurwerk heeft oudere onderdelen.
Gastenkamer
Het mooiste interieur van het gasthuis is te bewonderen in de gastenkamer. Hier ontvingen de Gasthuiszusters Augustinessen hun voorname gasten.
In het interieur staat meubilair uit verscheidene eeuwen. In het midden prijkt een Mechelse tafel met bijbehorende stoelen. Links van de eenvoudige houten schouwmantel met gietijzeren muurplaat en kleurige wandtegels en daar tegenover, staan prachtige Antwerpse, vroeg zeventiende-eeuwse kasten. De stijlelementen van deze kasten (leeuwenkoppen, hermenfiguurtjes en geschubde lijst) waren de inspiratiebron voor de stijlelementen van de Mechelse meubels van omstreeks 1900.Aan de muren van de gastenkamer hangen zeventiende- en achttiende-eeuwse schilderijen, allemaal werken van de zogenaamde ‘Vlaamse School’.
Apotheek
Langs een kleine tussenhal komen we in de apotheek. Oorspronkelijk was hier de inkom voor de gasten.
Nadat de buitendeur was veranderd in een raam, diende dit lokaal van 1817 tot 1882 als apotheek. Tijdens de recente restauratie werd de vroegere buitendeur opnieuw aangebracht. Het apotheekrek links in de kamer werd omstreeks 1813 gemaakt door de Geelse schrijnwerker Janssens. De Latijnse opschriften op de achttiende-eeuwse potjes en de laden leren ons veel over de plantaardige, dierlijke en minerale grondstoffen die destijds courant werden gebruikt. De ondervoede zieken hadden zonder twijfel meer baat bij een calorierijke voeding dan bij sommige volksgeneesmiddeltjes, zoals poeder van een levend gevangen mol, gemengd met gedroogde lindebloesem, dat in de achttiende eeuw gebruikt werd tegen epilepsie. Tegen de rechtermuur staat een apotheekkast uit de eerste helft van de twintigste eeuw waarin allerhande apothekersmateriaal is ondergebracht.Moederskamer
Van hieruit bestuurde de overste de klooster- gemeenschap en het gasthuis. Hier werden ook het geld en de archieven bewaard, veilig achter ‘dievenijzers’, de tralies voor de vensters. In de moederskamer wordt in een eerste deel een algemeen beeld opgehangen van de ziekenzorg in de middeleeuwen. Vervolgens komt de geschiedenis van het Geelse gasthuis vóór 1552 aan bod. Een derde deel schetst, aan de hand van historische documenten en voorwerpen, het leven en werk van de Gasthuiszusters Augustinessen die vanaf 1552 tot 1969 hier leefden en werkten: hun opleiding en communauteitleven, hun spiritueel en dagelijks leven komen hier aan bod.
De Gasthuiskapel
De ‘Gasthuiskapel’ is het oudste gebouw van het complex van het Oud Gasthuis. Ze werd opgetrokken in 1476-1479 zoals we kunnen lezen op de herdenkingssteen in de buitengevel langs de Gasthuisstraat.
De kapel is 23 meter lang, 7,5 meter breed en binnenin 11 meter hoog. Ze werd opgetrokken in eenvoudige Kempense baksteengotiek: een rechthoekig grondplan met driezijdig gesloten koor, een houten tongewelf en spitsboogvensters. Het gebruik van witte zandsteen bleef beperkt tot de speklagen in de plint.
Het huidige torentje met zijn barokke spits werd in 1707 door Peeter Janssens uit Aarschot geplaatst, nadat het oudere in 1704 tijdens een storm van het dak was gewaaid.
In de tweede helft van de 16de eeuw of het eerste kwart van de 17de eeuw werd in het achterste deel een ziekenzaal ingericht met 6 alkoven en een bedstede. Deze capaciteit zou tot in 1840 niet verhogen.
De kapel kende een bewogen geschiedenis. Meermaals werd ze geplunderd en gebrandschat, zowel door katholieke als door protestantse troepen die tijdens de godsdienstoorlogen van circa 1550 tot 1650 hier heel actief waren. In 1628 onderging de kapel een grote verandering. Boven de altaartafel werd een drieluik van de hand van de Lierse kunstschilder Matheus Berckmans geplaatst. Het hoofddoek stelt de Hemelvaart van Maria voor. De zijluiken werden op paneel geschilderd. Op het linker zijluik staat de marteldood van St.-Dimpna afgebeeld en St.-Augustinus die zijn hart aan Maria schenkt. Het rechterzijluik stelt de marteldood van St.-Gerebernus voor en van St.-Elisabeth die de voeten van de armen wast.
In 1905-1906 kreeg de gotische kapel een neogotische opknapbeurt, deels met herstel van haar oorspronkelijk uitzicht. Het drieluik werd ontmanteld. Het houten altaar werd in 1905 vervangen door een geelkoperen, deels verguld altaar, vervaardigd door de firma Van Rijswijck-Bogaerts uit Antwerpen. De huidige glasramen komen uit het atelier van Stalins & Zoon uit Antwerpen. Het orgel, dat zich vooraan op het zusterkoor boven de eerste ziekenzaal bevond, werd afgebroken. Onder het zusterkoor werd de afsluiting tussen de eerste ziekenzaal en de kapel weggebroken en verdwenen de zes alkoven. Het zusterkoor liet men zakken en het werd ongeveer 1 meter achter de oorspronkelijke scheidingswand gebracht. Ook het orgel werd naar beneden gebracht. Het werd vergroot en vernieuwd door de gebroeders D’Hondt uit Herselt. In 1967 werd een gebrand glas-in-loodraam geplaatst, van de hand van Jan Huet. De Gasthuiskapel bleef een openbare gebedsruimte tot in 1969, toen de zusters verhuisden naar hun nieuwe gebouwen in de Pastoor Van Neylenstraat.
Ziekenzalen
Ziekenzaal II
De eerste ziekenzaal bevond zich achterin de kapel. Nieuwe medische inzichten eisten in de 19de eeuw een uitbreiding van het aantal bedden in het gasthuis.
In het verlengde van de eerste ziekenzaal werd in 1841-1842, naar plans van Fr. Heylen en Bogaerts uit Lier, een tweede ziekenzaal aangebouwd. Ook de toegangsdeur met cirkelvormig bovenlicht aan de kant van de Gasthuisstraat en de hal dateren uit deze periode. Bij het opbreken van de vloer tijdens de restauratiewerken in 2001-2005 kwamen restanten van vroegere muren aan het licht. Het zijn waarschijnlijk getuigen van de kamers van het lekenpersoneel die hier eertijds (13de eeuw) waren opgetrokken.
De tweede ziekenzaal was lange tijd met de eerste verbonden door een deur. Hiervan getuigt nog de muurnis/vitrine met medisch materiaal. Opvallend in deze ziekenzaal zijn de hooggeplaatste, getraliede ramen met neerklappend bovenlicht, dat voor de verluchting van deze ziekenzaal moest zorgen.
Ziekenzaal III
Tegenover de vroegere hoofdingang en de tweede ziekenzaal werd in 1860-1861 een derde ziekenzaal gebouwd, naar de plans van architect J. Van Gastel. Door de afbraak van de pesthuizen in 1854 en het uitbreken van de cholera-epidemie in datzelfde jaar had men een schrijnend gebrek aan plaats in het gasthuis ondervonden.
De derde ziekenzaal, ook wel ‘Rode Zaal’ genoemd wegens de vloer van rode Boomse tegels, diende aanvankelijk als afzonderingszaal voor besmettelijke zieken, later als mannenzaal. Ze werd verwarmd met een hoge Leuvense stoof in een Engelse schouw. Rechts naast de schouw gaf een eenvoudige deur toegang tot een gangetje dat naar de stal van de gasthuishoeve leidde. Tussen de bedden in de zaal waren witte gordijnen aangebracht, die tijdens de verzorging konden worden dichtgeschoven.
Nu is de derde ziekenzaal of ‘Rode Zaal’ volledig gewijd aan Sint Dimpna en de Geelse verpleging van geesteszieken. De Ierse prinses Dimpna, die de incestueuze voorstellen van haar vader afwees en als slachtoffer viel van zijn waanzin, werd al vlug vereerd als waanzinheilige. Deze verering van de Heilige Dimpna ligt aan de grondslag van de nog steeds bestaande gezinsverpleging, waarvoor Geel wereldwijd gekend is.
















|