Historiek
Op het einde van de 12de eeuw beschikten vele steden in de Nederlanden over een hospitaal of een gasthuis waar behoeftige zieken, zwakken, daklozen en pelgrims terecht konden. Het hoofdmotief voor de oprichting van die gasthuizen was de liefdadigheid, het christelijk ideaal van de ‘caritas’. Maar ook sociaal-politieke motieven speelden een rol. Met de verzorging van minderbedeelden poogde men sociale onrust en agitatie te voorkomen.
In navolging van de grotere steden werd kort vóór 1286 het Geelse gasthuis gesticht op initiatief van Hendrik III Berthout, heer van Geel. De zieken, zwakken en pelgrims werden er verzorgd door lekenbroeders en -zusters. Van een kloosterorde was er nog geen sprake. Volgens de traditie werd het gasthuis gebouwd op de plaats waar omstreeks het jaar 600 de Ierse koningsdochter Dimpna door haar vader werd vermoord nadat zij zijn huwelijksaanzoek had afgewezen. Dimpna, slachtoffer van zinloos geweld, werd vereerd en groeide uit tot de Heilige Dimpna die aanbeden werd om genezing te bekomen door hen die ‘krank van geest’ waren.
Op het einde van de middeleeuwen waren er in het Geelse Gasthuis, zoals in veel caritatieve instellingen, wantoestanden gegroeid. Misbruiken bij de opname van zieken, financieel wanbeheer en verslapping van de tucht waren de oorzaken van het verval. Hervormingen drongen zich op.
In de grote steden werden deze vernieuwingen rond 1500 doorgevoerd. In Geel werd de basis ervan gelegd door Jan III van Merode, heer van Geel en door Jacob de Busschere, de eerste directeur van het college van tien vicarissen dat aan de Sint-Dimpnakerk verbonden was. Beide weldoeners zorgden voor de nodige financiële middelen. Uit Mechelen, waar de vernieuwingen reeds in 1509 waren ingevoerd, kwamen in 1552 drie zusters om de nieuwe levenswijze in Geel in te voeren. Robert de Cröy, bisschop van Kamerijk, keurde de hervorming goed. Zo deden de Gasthuiszusters Augustinessen hun intrede in de Geelse ziekenverzorging.
Naast het invoeren van nieuwe leefregels (statuten) zorgden de zusters ook voor de materiële uitbouw van het gasthuis, ondanks hun krappe financiële situatie, de voortdurende oorlogen en besmettelijke ziekten zoals de pest. Zij restaureerden de gasthuiskapel uit 1476-1479 en de daarin ondergebrachte ziekenzaal. In de 17de- en de 18de eeuw werd het complex uitgebreid en vergroot met een nieuw kloostergebouw (1663), een schuur (1705), stallingen (1718), een nieuw ambachtsgebouw (1728) en met de commensalenkamers (1671 en 1754).
De Franse Revolutie (1789) maakte een einde aan vele instellingen uit het zogenaamde ancien régime. In hun strijd tegen de macht van de kerk viseerden de revolutionairen vooral de instellingen waarin religieuzen actief waren, zoals het onderwijs en de ziekenzorg. Maar wegens het gebrek aan ‘ervaren’ personeel moest de overheid, onder meer in de sector van de verpleging, religieuzen tolereren. De gasthuizen en hun personeel werden geseculariseerd. Het Geelse gasthuis werd een burgerlijk gasthuis. De Gasthuiszusters Augustinessen mochten blijven instaan voor de ziekendienst en het dagelijks beheer, maar dan wel als ‘hospitalières’, als burgerlijk personeel. De eigendommen van het gasthuis werden geconfisqueerd en overgedragen aan de Burgerlijke Gestichten van Liefdadigheid, voorloper van de Commissie voor Openbare Onderstand (COO), het huidige Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW).
In de 19de- en de 20ste eeuw werden de gebouwen voor de verpleging uitgebreid. Tot 1840 verbleven de zieken achteraan in de kapel. In 1840 werd achter de kapel een tweede ziekenzaal aangebouwd en in 1860 volgde een derde verpleegruimte, de zogenaamde ‘Rode Zaal’. In 1918 werd in de de Billemontstraat, naast het bestaande gebouwencomplex, een nieuw ziekenhuis gebouwd. Dit valt echter buiten het hier besproken gebouwencomplex. Het aantal zusters nam in de negentiende eeuw gestaag toe: van 12 in 1801, over 15 in 1900 tot 40 op de vooravond van de IIde wereldoorlog. Daarna minderde hun aantal voortdurend.
Midden in de jaren 1960 werd binnen de COO eraan gedacht de historische gebou-wen van het Oud Gasthuis - die nochtans bij KB van 23 maart 1938 als monument waren beschermd - te slopen en het terrein te verkavelen. Dankzij de Gasthuiszus-ters Augustinessen van Geel werd dit unieke Geelse patrimonium toen van de ondergang gered. In 1971 kochten zij het grootste deel van het Oud Gasthuis terug en besloten zij de oude gebouwen als museum in te richten.















|